Wildsoorten en overige Fauna

De Flora- en faunawet maakt onderscheid tussen jacht/beheer en schadebestrijding. Zes diersoorten zijn aangemerkt als wild waarop in beginsel mag worden gejaagd: haas, fazant, wilde eend, konijn, houtduif en patrijs. Deze wildsoorten komen alle zes in de Hoeksche Waard voor. Buiten de jachtperiode mogen wildsoorten alléén bestreden worden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Ook niet-wildsoorten mogen alleen gevangen en/of gedood worden als dit nodig is voor beheer en schadebestrijding. In dat kader (ter voorkoming en bestrijding van landbouwschade) vindt in de Hoeksche Waard plaatselijk afschot plaats van ganzen, knobbelzwanen, smienten (eendensoort), meerkoeten en zwarte kraaien.

Wildschade

De landbouw binnen de Hoeksche Waard ondervindt op verschillende manieren schade van het wild en ook van niet-wildsoorten. Hierbij moet men o.a. denken aan:

  • Schade aan grasland, ingezaaide graanvelden en andere akkers als gevolg van het massaal neerstrijken van ganzen. Zij vernielen (vertrappen en bevuilen) het land waardoor de gewassen kwetsbaar worden voor het slechte weer. De ganzen komen op gras- en bouwlanden foerageren (voedsel zoeken) en eten van de gewassen.
  • Schade aan vruchtbomen (boomgaarden) als gevolg van vraat door konijnen en hazen aan de stammen en de takken.
  • Pikschade aan landbouwgewassen (o.a. suikerbieten en spruiten) door fazanten.
  • Bevuiling; volgens die in grote aantallen neerstrijken, vreten niet alleen aan de gewassen, ze poepen er ook op. Ganzen, zwanen en eenden kunnen zo vooral grasland en ingezaaide graanakkers bevuilen en duiven vooral de spruitkoolplanten.
  • Vaak komen verschillende vormen van schade tegelijk voor, zoals bevuiling, aanpikken, vertrappen (dichtslempen van de grond), enzovoorts.

Als er in een bepaald gebied wildschade is ontdekt of men denkt dat er grote kans is op wildschade, moeten de jager en de grondeigenaar er alles aan doen om die te voorkomen of te beperken. Dat kan door verjagen (afschrikken) of bejagen (doden). Zo kunnen er knalapparaten, vlaggen en afrasteringen worden geplaatst of wordt het wild verleid door ergens anders voedsel neer te leggen of elders afleidende beplanting te zaaien/poten.

Stroperij

Stroperij is van alle tijden. Vroeger was het een individuele aangelegenheid met als doel een keer vlees in de pan te krijgen of om aan extra geld te komen. Tijden veranderen, de stroperij van nu is een volwaardige criminele aangelegenheid geworden. Het gebeurt nu enerzijds voor de "kick" en anderzijds grootschalig om in korte tijde veel wild te bemachtigen. De stroperij voor de kick kenmerkt zich door het gebruik van zogenaamd lange honden die het wild achtervolgen inhalen en ter plekke afmaken. De eigenaren van de honden sluiten weddenschappen af welke honden de meeste dieren zullen verscheuren. Voor groter wild zoals reewild is het voor het slachtoffer een vreselijke dood. De stroperij voor het bemachtigen van wild is professioneel en in korte tijd worden hele jachtvelden leeggehaald met illegale vangwijzen. Het wild heeft geen kans heeft om te ontsnappen en men maakt zich al helemaal niet druk of er voldoende wild achterblijft voor het komende jaar zodat de soort zich kan handhaven. Recent heeft het ministerie van LNV en gerichte aanpak voor stroperij vastgesteld

Loslopende honden

Een net zo groot probleem als stroperij is het los uitlaten van honden in de polder. Door de aanleg van groenstroken langs oppervlaktewater, wat als vanggewas dient voor gewasbeschermingsmiddelen, ontstaan voor het publiek mooie wandelpaden door de polder. Dit blijkt voor veel mensen een uitnodiging te zijn om dit te misbruiken als hondenuitlaatplaats. Deze loslopende honden verstoren vogelnesten van grondbroeders en jonge hazen die overdag op het land zitten te wachten om s'avonds te drinken te krijgen. Door de onrust en het moeten vluchten wordt de band tussen moeder en jong verbroken waardoor de jongen langzaam van dorst en honger omkomen. Een jachtveld gelegen langs deze wandelpaden is binnen de kortste keren ontdaan van een gezonde wildstand, alle hazen vertrekken en ook de bodembroeders houden het voor gezien na een paar mislukte nesten. In artikel 16 lid 3 van de flora en fauna wet staat dat een ieder verplicht is te verhinderen dat een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigd. Dit wordt door de politie als stroperij beschouwd en ook als zodanig geverbaliseerd. Verschillende jachthouders houden toezicht op hun jachtveld via de vereniging Veldtoezicht die actief is in de Hoeksche Waard. De toezichthouders rapporteren direct aan de politie als zij onregelmatigheden constateren. Andere jachthouders kiezen er voor om zelf toezicht te houden op hun eigen jachtveld of doen dit samen met collega-jagers die dan bij toerbeurt s'avonds en s'nachts toezicht houden. De verdere werkwijze is dan gelijk met die van de vereniging Veldtoezicht, waarbij wel opgemerkt moet worden dat de frequentie van toezicht bij deze vereniging meestal hoger ligt dan bij het individuele toezicht.

Ganzen in Nederland, Beleidsstandpunt KNJV (2011)

GANZEN IN NEDERLAND 

Beleidsstandpunt van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) 

Dit standpunt werd vastgelegd door het Landelijk Bestuur van de KNJV in de 

bestuursvergadering van 7 december 2011. De KNJV behartigt de belangen van haar leden en 

wildbeheereenheden. Daarbij zoekt de KNJV nadrukkelijk samenwerking met andere 

betrokken maatschappelijke organisaties, overheden en semi-overheden. 

Inleiding en achtergrond

Ganzen, feiten en uitgangspunten: 

• Nederland is een belangrijk land voor trekganzen en standganzen. 

• Ganzen zijn waardevol en dragen bij aan de biodiversiteit. 

• Nederland moet streven naar een duurzame staat van instandhouding van inheemse 

standganzen en trekganzen, zoals ook vastgelegd in Europese en nationale wetgeving. 

• Ganzen kunnen in het kader van jacht duurzaam worden benut. Dit is internationaal erkend 

en vastgelegd in Europese regelgeving. 

• Standganzen en trekganzen veroorzaken ook schade en overlast (landbouw, 

vliegveiligheid, natuur en recreatievoorzieningen).

• Jacht draagt bij aan preventie en terugdringing van ganzenschade. 

• De jager is een deskundige vrijwilliger die een maatschappelijke rol vervult. 

• De ganzenstand en daarmee samenhangend de schade (overlast en kosten) is de afgelopen 

jaren fors gestegen. 

• Wilde ganzen passen als product prima bij de maatschappelijke trend en aandacht voor 

duurzaam verkregen voedsel. 

Stand van zaken 2011 

Er is sinds 2004 een winterganzenbeleid van kracht, het Beleidskader winterganzen, dat in 

principe tot 2013 in werking is. Dit beleid gaat uit van opvang van winterganzen in 

foerageergebieden en verjaging van ganzen met ondersteunend afschot buiten de 

foerageergebieden. Voor de zomerganzen/standganzen gelden provinciale 

Faunabeheerplannen op basis waarvan ontheffingen voor het beheren/bestrijden van ganzen 

worden afgegeven. Ook die faunabeheerplannen hebben een werkingsduur van meerdere 

jaren. 

Ondanks de uitvoering van het winter- en zomerbeleid nemen de schade (overlast en kosten) 

voor de overheid, ondernemer en burger nog steeds toe. Dit komt onder meer door de sterke 

groei van het aantal standganzen, ofwel de ganzen die jaarrond in Nederland verblijven. 

Deze constatering is niet alleen gedaan door de overheid, maar ook door de maatschappelijke 

organisaties die onderdeel uitmaken van het Beleidskader Faunabeheer (gevormd door 8 

maatschappelijke organisaties , Rijk en IPO). De KNJV participeert eveneens in dit 

Beleidskader De maatschappelijke organisaties (Ganzen-8) hebben dit jaar een 

plan/ganzenakkoord (Nederland Ganzenland) gemaakt, waarbij de KNJV na raadpleging van 

de achterban heeft aangegeven, niet in te kunnen stemmen met dit akkoord. Het bevat nog 

teveel open einden en er komen dusdanige praktische uitvoeringsproblemen naar voren dat 

het plan niet uitvoerbaar is. Bovendien wordt er geen invulling gegeven aan één van de Ganzen in Nederland, Beleidsstandpunt KNJV 

uitgangspunten in het akkoord, namelijk dat het standpunt van de KNJV (zoals ook 

vastgelegd in Europese regelgeving) dat jacht als verstandige benutting van de soorten 

gerespecteerd wordt. Daarmee ontstaat een eenzijdige benadering van de jager als vrijwilliger 

in de natuur, die een maatschappelijk en economisch probleem mee helpt oplossen. Bovenal 

is de jager echter vanuit historisch perspectief en overtuiging iemand die primair jaagt/benut 

in de periode dat dieren weerbaar zijn. Voor ganzen is dat de winterperiode. Het 

ganzenakkoord van de Ganzen-7 biedt daar geen ruimte voor. 

Een andere relevante ontwikkeling is de totstandkoming van de Wet Natuur, waarin de status 

van een aantal ganzensoorten wijzigt, doordat zij in het concept wetsontwerp zijn toegevoegd 

aan de wildlijst. 

Binnen de KNJV is na het uittreden uit de Ganzen-8 een werkgroep opgestart die een 

conceptadvies ganzenbeheer heeft gemaakt. Dat advies is bestuurlijk opgepakt, wat opnieuw 

heeft geresulteerd in een brede achterbanraadpleging. Het advies en de reacties uit de 

achterban hebben geleid tot dit beleidsstandpunt dat we dus uitdragen als het standpunt van de 

KNJV. 

Problematiek in de uitvoering van het huidige beleid: 

• Standganzen worden in veel (natuur)gebieden nog niet beheerd. 

• Onvoldoende coördinatie en coöperatie van alle betrokken partijen. 

• Ontwikkeling van nieuwe natte natuur in of nabij agrarische gebieden, hetgeen ganzen 

aantrekt Ganzen in natuurgebieden vinden in die natuurgebieden te weinig voedsel en 

zoeken het in het agrarisch gebied. 

• Gescheiden verantwoordelijkheden. Provincie maakt beleid, Rijk betaalt de schade. 

• Opnemen van onnodige en bij de uitvoering belemmerende voorwaarden in ontheffingen 

om ganzen te beheren en/of te bestrijden. 

• Niet optimale begrenzingen van foerageergebieden. 

KNJV STANDPUNT

Algemeen: 

• Jagers zijn maatschappelijk betrokken en stellen zich dienstverlenend op. Zij kunnen een 

substantiële bijdrage leveren aan de oplossing van problemen, maar kunnen dat niet alleen. 

• Primair voelen jagers zich verantwoordelijk voor de natuur en gaan daar respectvol mee 

om. Duurzame benutting uit populaties tijdens het jachtseizoen – de periode dat dieren 

weerbaar zijn - maakt daar een cruciaal onderdeel van uit. Dat is ook vastgelegd in de 

gedrags- en weidelijkheidsregels van de KNJV. 

• Dat betekent ook dat bepaalde ingrepen bij standganzen niet als weidelijk worden ervaren 

en er geen draagvlak is om die als jager uit te voeren. 

• Om de ganzenproblematiek effectief te kunnen aanpakken moeten de randvoorwaarden 

zoveel mogelijk landelijk gecreëerd en generiek mogelijk gemaakt worden. Dat voorkomt 

provinciale versnippering, onduidelijkheid en onnodige belemmeringen bij de uitvoering. 

Standganzen: 

Om de standganzen succesvol en duurzaam naar een aanvaardbaar niveau terug te brengen – 

een streven dat door de nationale overheid en maatschappelijke organisaties (G8/G7) is Ganzen in Nederland, Beleidsstandpunt KNJV 

uitgesproken – moet een breed palet aan maatregelen en instrumenten kunnen worden ingezet. 

De overheid moet daarbij kaderstellend zijn en de juiste voorwaarden scheppen. 

Daarbij moet volgens de KNJV ingezet worden op: 

• Inzet van generieke instrumenten, geen provinciale versnippering in mogelijkheden en 

voorwaarden. 

• Geen onnodig beperkende en belemmerende voorwaarden bij de uitvoering van 

maatregelen. 

• Gecoördineerde en praktische inzet van alle partijen op regionaal/lokaal niveau. Provincie 

– FBE – WBE. Werkbare afspraken maken en die ook tot uitvoering brengen. 

• Mogelijkheid bieden tot jaarrond ingrijpen. Standganzen verblijven jaarrond in Nederland. 

Jagers kunnen daaraan buiten de broedperiode – zoals in het jachtseizoen - een prima 

bijdrage leveren. Andere mogelijk noodzakelijke ingrepen kunnen door andere betrokken 

partijen worden uitgevoerd. 

• Met de generieke mogelijkheden tot regionaal en lokaal maatwerk komen. 

• Faunabeheerplannen voor standganzen herijken en met bovenstaande inzet uitvoeren en de 

schade goed regelen wanneer ganzen en (natuurlijk ook) smienten op de jachtlijst staan. 

Trekganzen: 

• Voorlopig het Beleidskader winterganzen en smienten voortzetten. 

• Voor de langere termijn ganzen en smienten op de wildlijst van de Wet Natuur plaatsen. 

Naast duurzame benutting en schadepreventie, geeft dit tevens een impuls aan de 

populatiereductie van standganzen. 

• Meer aandacht geven aan de internationale aspecten van trekganzen, het flyway 

management. Nederland speelt een belangrijke rol in de flyway van trekganzen, maar is 

tegelijkertijd slechts één van de schakels. Er zijn immers vele aspecten die de 

populatiedynamica van trekganzen beïnvloeden. 

Exotische ganzen: 

De (interpretatie van de) Flora- en Faunawet levert op dit punt problemen op. Hoewel exoten 

een landelijk thema vormen, waarover internationaal afspraken zijn gemaakt, zijn er op dit 

moment grote provinciale verschillen in de mogelijkheden om exoten te bestrijden. De KNJV 

pleit ook hier voor de inzet van een generiek instrumentarium. Exotenbestrijding zou centraal 

geregeld moeten worden. Daarbij moet een realistisch perspectief worden gehanteerd. Van 

bepaalde exoten zoals de nijlgans mag worden aangenomen dat de stand zich niet meer naar 

nul laat terugbrengen. Die soorten zullen effectief moeten worden teruggebracht en 

vervolgens worden beheerd. De KNJV sluit aan bij de intentie van de rijksoverheid ten 

aanzien van invasieve exoten (weren, elimineren en beheren). Dit moet worden geborgd in de 

Wet Natuur. 

Bevers in de Hoeksche Waard

De afgelopen winter heeft staatsbosbeheer de stand van de Bevers in de Hoeksche Waard in beeld gebracht. De beste manier om te weten te komen hoeveel Bevers er in een gebied leven is het aantal burchten te tellen. In die burchten leven de Bevers alleen, met z’n tweeën en na verloop van tijd als familie. Omdat het aantal Bevers per burcht lastig is in te schatten blijft het een gok om te bepalen hoeveel Bevers er nu echt leven in de Hoeksche Waard. In totaal zijn er 28 burchten gevonden en moest daarvoor alle buitendijkse natuurgebieden die rond de Hoeksche Waard liggen afstruinen. In de Oeverlanden Hollands Diep, tussen Strijensas en Numansdorp zijn de meeste burchten gevonden, in totaal 15. Dat is niet zo verwonderlijk, omdat dit natuurgebied het dichtst bij de Biesbosch ligt, waar vandaan de migratie van Bevers onze kant op is begonnen. Meer westelijk, op Tiengemeten en op de Korendijkse Slikken zijn 3 burchten gevonden. Ook de natuurgebieden langs de Oude Maas zijn inmiddels een bolwerk voor Bevers geworden. Hier zijn 10 burchten gevonden. Met het tellen van de burchten ben je er nog niet. De Bevers hebben zomer- en winterburchten. De zomerburchten worden gebouwd als het waterpeil op de rivier begint te zakken. De ingang van de winterburcht komt boven water. Dat maakt de burcht onveilig om jongen groot te brengen. Wij schatten daarom in dat er nu 14 burchten bewoond zijn, 7 door koppels en 7 door solitaire dieren. Als die zeven koppels ieder 4 jongen grootbrengen zijn dat bij elkaar 42 dieren. Tel daarbij op de 7 solitaire dieren dan kom je op 49 Bevers in de zomer voor de hele Hoeksche Waard. Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Hoeksche Waards Landschap zien het voorkomen van de Bever als een aanwinst, omdat het een mooi beest is en omdat hij bijdraagt aan gevarieerde natuur. Hoe de stand zich verder ontwikkelt is de vraag. De meesten, die iets van Bevers weten, gaan ervan uit dat de Hoeksche Waard op een gegeven moment ‘vol’ is en ze naar het westen geschikte gebieden zoeken. (bron: De Weekkrant)