Jachthondenproeven

Voorbeeld spreekbeurt

Voorbeeld van een spreekbeurt over jagen. Dit mag je zo overnemen. Ondersteun je verhaal met duidelijke foto’s en/of andere afbeeldingen. Spreek rustig. En als de kinderen vragen hebben, probeer ze te beantwoorden. En heb je zelf nog vragen, neem dan contact op met WBE Hoeksche Waard of de KNJV.

De jager

Een jager is meestal een man en soms ook een vrouw, maar altijd iemand die erg veel van de natuur houdt en er ook van houdt om in de natuur te zijn. Overdag, ’s nachts, bij mooi weer maar ook bij slecht en koud weer. Het liefst eigenlijk altijd. Dan kan het een beroep worden en dan noemen ze zo iemand een boswachter of een jachtopziener.

De jager weet ook heel veel van de natuur. En hij weet ook dat dood en leven bij elkaar horen in de natuur. Ze zeggen daarom ook wel eens dat in de natuur maar één wet geldt: eten of gegeten worden.

Het jachtveld

Het stuk natuur waar de jager in jaagt heet het jachtveld. Dit kan gewoon een weiland met gras zijn en sloten er omheen, waarin ook koeien, schapen en paarden lopen. Het kunnen ook akkers zijn met suikerbieten, spruitjes, kool, sla en aardappelen. Of een boomgaard met appelbomen, perenbomen, kersenbomen en pruimenbomen. En het kan een bos zijn. Maar het kan nooit in een dorp of stad zijn, want daar is het verboden te jagen. Het jachtveld van de jager moet minstens 40 hectare groot zijn; dat is ongeveer zo groot als 80 voetbalvelden bij elkaar.

Rust, veiligheid en voedsel

Omdat de jager veel in zijn jachtveld is, weet hij bijna precies welke soorten beesten, bomen, struiken en planten

er in voor komen, en hoeveel. Ze vormen samen één geheel – een leefwereld – en dat noemen ze met een moeilijk woord ook wel habitat. Deze leefwereld past precies bij de dieren die er in voor komen en de dieren passen precies bij de leefwereld. Ze voelen zich er thuis. De jager weet ook hoeveel dieren in leefwereld kunnen leven om rustig, gezond, veilig en met voldoende voedsel voor ieder dier te kunnen leven.

 Hoe meer dieren hoe beter is dus niet waar. Reken maar na: 2 hazen krijgen elk de helft van een kool; 4 hazen krijgen elk de helft van de helft.; 8 hazen krijgen de helft van de helft van de helft. En 16 of 32 hazen krijgen elk bijna niks en dus is de kans groot dat veel hazen doodgaan van de honger. Ook zitten ze dichter op elkaar en kunnen op die manier elkaar gemakkelijk ziek maken. Zo gaat dat ook als er 30 kinderen in een klas zitten in plaats van 10. Als eentje begint te hoesten of te niezen omdat hij verkouden is, is de kans om verkouden te worden bij 30 kinderen veel groter dan bij 10 kinderen, die ver uit elkaar zitten. Zo is het dus met teveel dieren in een jachtveld ook.

Een beetje evenwicht

De jager probeert daarom voor een beetje evenwicht te zorgen in zijn stukje natuur. Als hij dat goed doet, krijgen alle dieren in zijn jachtveld de kans om gezond en veilig te leven, zelf sterk te worden en sterke jongen te krijgen. Hij kan dat op verschillende manieren bereiken. Hij kan voor meer rust zorgen en betere kansen voor de jongen om groot te worden door de boer te vragen niet in het voorjaar het gras te maaien maar bijvoorbeeld in het begin van de zomer. Hij kan voor meer veiligheid zorgen door de boer te vragen om zijn hond en katten op de boerderij te houden en meer boompjes en struiken aan te planten waaronder de dieren zich kunnen verstoppen voor roofvogels als de buizerd, havik, kiekendief en sperwer, voor roofdieren als de vos, de bunzing en de hermelijn, en voor grote brutale vogels als de zwarte kraai en de ekster. Deze staan er om bekend dat ze veel jonge dieren en eieren pakken en opeten. En de jager kan voor meer voedsel zorgen door met de boeren planten en bloemen langs de akkers te zaaien die in de zomer veel insecten aantrekken en in de herfst knollen, zaden en bessen opleveren. Hier in de Hoeksche Waard vind je veel van die akkerranden.

Over het jagen

Op sommige dieren in zijn jachtveld mag de jager jagen. Dat zijn de haas, de fazant, de wilde eend, het konijn, de houtduif en de patrijs. Maar omdat er weinig patrijzen zijn, is de jacht op de patrijs gesloten. Maar je mag er niet op allemaal het hele jaar jagen. Alleen op de houtduif en het konijn. Op de haas alleen in oktober, november en december. Op de fazant ook, maar ook nog in januari. Op de wilde eend in augustus, september, oktober, november en december. Op alle andere dieren is het verboden. Alleen als deze heel veel schade veroorzaken, zoals de ganzen in de Hoeksche Waard, kun je toestemming krijgen om ze weg te jagen of om er op te schieten. De dieren die de jager schiet, eet hij meestal zelf op. Het is eigenlijk het enige echte scharrelvlees.

Hoe jaagt de jager?

De jager kan op verschillende manieren jagen. Sommigen doen dit met een valk – dan heet hij geen jager maar valkenier. Andere jagen met een fret op konijnen. Een fret is een lang en dun roofdiertje, ongeveer 5 of 6 keer zo groot als een wezel of hermelijn, dat in konijnenholen kan kruipen en dan de konijnen naar buiten jaagt. Deze worden dan door de jager gevangen of gepakt met het geweer. Gevangen konijnen worden niet altijd gedood. Soms worden ze weer losgelaten op plaatsen waar ze met hun gegraaf geen schade aanrichten. Want graven kunnen konijnen heel goed. En ook jongen krijgen. Een konijn krijgt een paar keer per jaar jongen en die jongen krijgen ook heel snel weer jongen enzovoort. Als ze dan met z’n allen in een voetbalveld of dijk gaan graven, wordt het net een grote gatenkaas. Dan kan een dijk gemakkelijk inzakken en voetballers kunnen gemakkelijk een been breken als ze tijdens de wedstrijd in zo’n hol stappen.

Eerst leren, dan pas jagen

Meestal jaagt de jager met een geweer. Maar dat mag niet zomaar. Eerst moet de jager naar school, om dieren goed te leren herkennen, om te leren hoe ze leven, eten, slapen, jongen krijgen, om bomen, planten, struiken en bloemen te herkennen, om wetten te kennen en om te weten hoe je veilig met een geweer moet omgaan en hoe kogels en hagelpatronen werken. Daarnaast moet hij naar een schietbaan, waar hij leert hoe je moet schieten. Hij oefent op kleiduiven – dat zijn geen echte duiven maar schoteltjes gemaakt van klei die met grote snelheid worden weggeschoten en die de jager moet proberen te raken. Dat is best moeilijk. Maar het moet beslist, anders mag je niet jagen. Want als een jager op een dier schiet, moet het meteen raak en het dier direct dood zijn. Het mag geen pijn hebben omdat de jager een grote sufferd is die slecht schiet of van te ver schiet. Als de jager alles goed heeft geleerd en na een examen het jachtdiploma heeft gehaald en ook nog een eigen jachtveld van 40 hectare heeft, pas dan mag hij de politie vragen om een jachtakte en een geweer kopen. Daarna komt de politie nog vaak bij de jager langs om te controleren of hij zijn geweer veilig thuis heeft opgeborgen in een wapenkast en of hij in veld wel alle regels opvolgt.

Ook een jachthond

Als een jager het echt goed wil doen, heeft hij ook een jachthond die heeft geleerd hoe hij met zijn natte speurneus het wild moet vinden, netjes moet oppakken en bij de baas moet brengen. Dat is heus niet zo eenvoudig. Soms moet hij daarvoor het ijskoude winterwater in. Soms moet hij daarvoor door rozenstruiken en brandnetels. Soms moet hij daarvoor eerst een breed en diep water overzwemmen en dan een spoor volgen. Maar een goede jachthond doet dat graag voor zijn baas. En hoe vaker hij mee mag op jacht, hoe mooier hij het vindt. Je bent dus niet zo maar een goede jager of een goede jachthond.